Yangon Temple Myanmar Birma
Myanmar,  reizen,  The Big Trip

Welkom 2016, welkom Myanmar!

Alweer ruim een week geleden startte mijn grote avontuur. In bruisend Bangkok voelde het als thuiskomen: ik omarmde de heerlijke warmte, de chaos, het zalige eten en de kriebels die gepaard gaan met een nieuwe reis. Langs de oevers van de Chao Phraya, tegenover de prachtige tempel van Wat Arun, telde ik in het gezelschap van een Australiër af naar 2016. Na een schitterend vuurwerk bleef het feestje op straat waar ik op hoopte een beetje uit, mijn gezelschap had liefdesverdriet en werd met de minuut minder gezellig en zo belandde ik na wat omzwervingen met de tuktuk in mijn bed, klaar voor het nieuwe jaar en klaar voor het volgende land: Myanmar.

Tijdens de korte vlucht naar Yangon bezie ik het landschap in het licht van de ondergaande zon door het vliegtuigraam. Uitgestrekte graslanden en akkers, her en der onderbroken door slingerende rivieren en uitgesleten zandwegen. Zo nu en dan staat er, op een willekeurige plek, een huisje of een tempeltje. Ik voel de nieuwsgierigheid groeien: wat gaat die land me voor moois laten zien? Bij het uitstappen raak ik aan de praat met de Amsterdamse Saskia die net als ik op weg is naar Yangon, de voormalige hoofdstad. Ze heeft via haar hostel al een taxi geboekt en bied aan of ik mee wil rijden, vanaf haar hostel is het daarna nog maar een klein stukje naar het mijne. De zon is inmiddels ondergegaan en we bewegen ons op stroperige wijze richting het centrum. Op de velden en langs de straat woeden kleine brandjes, stukken land of bergjes afval, die de stad in een rokerige mist hullen. Te midden van het constant toeterende verkeer en door de rauwe rapmuziek die de chauffeur aangezet heeft, lijkt het eerder alsof we in een gevaarlijke getto rijden in plaats van een koloniale stad in een overwegend boeddhistisch land.

Na bijna twee uur komen we aan en kan ik mijn weg naar mijn eigen hostel vervolgen. Met mijn grote rugzak op mijn rug en mijn dagrugzak op mijn buik ben ik een onhandig object op de smalle stoep, die ook al grotendeels gevuld is met eetkraampjes en marktwaar. Toch glimlacht iedereen vriendelijk en wordt me zelfs een aantal keer gevraagd waar ik heen moet. Het blijkt een voorbode van de hartelijkheid van de mensen hier. Nadat ik me opgefrist heb in het hostel ga ik op zoek naar iets te eten.
Op de gok loop ik een straat in en na een aantal meter zie ik dat zich tot het einde van de straat een rode loper uitstrekt. Aan beide kanten van de loper liggen er overal matjes en slechts aan de zijkant is een smalle strook stenen is nog zichtbaar. Er zitten een aantal mensen op de matjes en aan het eind van de loper is een podium opgesteld. Ik voel dat ik ergens binnenval, dat hier iets gaat gebeuren. Ik besluit zo snel mogelijk een flesje water te kopen en te vertrekken. Wanneer ik het flesje afreken, vraag ik wat er gaat gebeuren. De oude vrouw spreekt geen Engels, maar doe een schreeuw naar achteren. Zo’n 6 kinderen en een aantal volwassenen komen uit de achterruimte. Een meisje van een jaar of 16 vertelt me dat zo meteen een belangrijke monnik komt. Het gezin overlegt wat, en vraagt of ik wil blijven. Opgewonden gebaren ze dat ik mijn schoenen hier mag laten en blootsvoets volg ik ze naar buiten. Intussen zijn bijna alle plekken langs de rode loper vervuld en kijken de mensen nieuwsgierig mijn kant op, soms verlegen weg kijkend, soms breeduit lachend. Een gesprek blijkt moeilijk, de kleindochter van de oude vrouw spreekt nauwelijks Engels, maar al snel hebben ze een buurjongen opgetrommeld die iets beter Engels spreekt en zich voorstelt als Min Min. We kletsen wat over wie we zijn en over mijn reis.
Min Min vraagt me naar mijn werk en laat zijn CV zien. Hij blijkt iets in de ICT te doen en vertelt trots hoe hard hij werkt. Dan verbaas ik me over zijn openheid; hij vertelt dat hij slecht betaald krijgt en heel graag in het buitenland zou willen werken, dat zou zijn enige kans op een beter leven zijn. De regering is slecht, en direct nadat hij dat zegt, fluistert hij: ‘but no good saying this, be careful always’. Het leven is duur, het lukt hem niet om geld te sparen en zodoende verwacht hij niet dat hij ooit zal trouwen, daar moeten mannen namelijk flink voor gespaard hebben.
Dan vraagt hij onverholen en met een open, brede lach: how much you earn for your work? Ik voel het bloed naar mijn wangen trekken, dit is wel het laatste wat ik wil delen met iemand die zojuist verteld heeft onder welke omstandigheden hij leeft. Ik mompel dat we daar niet graag over praten in Nederland. ‘But you have good job, you be proud! Tell me, how much?’ Ik hoop de vraag te ontwijken door te zeggen dat ik het niet weet in Kyat, de Birmese munteenheid. ‘Oh I know!’, en hij pakt zijn telefoon en tovert in een paar tikken een soort koerswisselaar tevoorschijn. ‘You Euro right?”. Ik begin naarstig te rekenen, 1000 Kyat is zo’n €7, wat is dan een reëel bedrag dat ik kan noemen zonder dat ik ongeloofwaardig ben en vooral zonder dat ik een stinkend rijke Westerling ben, want zo voel ik me na zijn verhaal. Hij dringt aan, is oprecht nieuwsgierig en lijkt het heel normaal te vinden dat we dit bespreken. Ik typ de helft van mijn maandsalaris in en zijn reactie maakt dat ik het liefst door de grond verdwijn.
Hij begint hard te lachen en klopt me op mijn schouders ‘You millionair! Very very rich! For how many months is this?’ Ik kreun, het wordt met de minuut genanter. ‘This for one month? No no, cannot be!’ maar mijn gezicht moet zijn vermoeden bevestigd hebben, want hij wijst naar me terwijl hij de mensen om ons heen aanspreekt. Ik kan alleen maar raden naar wat hij zegt, maar het bemoedigende geknik en brede grijnzen mijn kant op wijst erop dat ook de mensen om mij heen de inhoud van ons gesprek nu weten. Voor het eerst schaam ik me voor de ongelijkheid en onrecht in de wereld, al weet ik heel goed dat ik er niks aan kan doen dat ik nu eenmaal in een welvarend land geboren ben en deze jongeman, even oud als ik, toevallig niet op die plek.
Ik krijg gelukkig wat lucht, want de monnik wordt aangekondigd. Mensen buigen zich vol devotie naar de grond als hij langsloopt en ik geniet van dit moment. Ik versta natuurlijk geen woord van de gebeden die de beste man reciteert, maar ik voel de verbondenheid tussen deze mensen en ben dankbaar dat ik hier deel van uit mag maken, een stukje mag proeven van het leven hier. Ondertussen loopt het al tegen tien uur en heb ik na het middaguur al niets meer gegeten. Ik fluister Min Min toe dat ik echt moet gaan omdat ik moet eten en naar het hostel ga, en hij zegt vastbesloten dat hij meegaat. Hij weet een goede plek om Birmees te eten en zal het me laten zien. Ik waardeer zijn aanbod enorm, maar vraag hem of hij echt niet bij het gebed wil blijven. Hij gniffelt dat het nu een beetje saai is omdat de monnik een verhaal vertelt. ‘Good excuse!’  grijnst hij.
We lopen een aantal straten door en strijken neer bij een aantal lage tafeltjes die in de poppenhoek van de kleuters niet zouden misstaan. Een tafel met wat mandjes met ingrediënten en een grote wok vormen de keuken. Hij vraagt of ik van rijst houd en kiest een gerecht voor me uit. Met smaak eet ik mijn eerste maaltijd in Myanmar terwijl Min Min door kletst over van alles en mijn vragen over etiquette in Myanmar beantwoord. Met links eten mag (lucky me), maar het is heel onbeleefd om vanuit het midden een hap te nemen, je moet van buiten naar binnen eten. Na de heerlijke maaltijd pak ik mijn portemonnee om voor ons te gaan betalen. Min Min schiet naar voren, ‘no no, I treat you!’ Ik ben vastbesloten dit niet toe te staan, zeker niet nu ik zijn financiële situatie ken. Min Min is echter al naar de vrouw toegelopen en betaalt haar. ‘I want to give you this for a good time in Myanmar!’ Vol gemengde gevoelens lig ik die avond in bed; geraakt door zoveel vriendelijkheid en warmte van een volslagen onbekende. Zou ik dat doen, zomaar een toerist mee uit eten nemen? Zou ik mijn zuurverdiende geld delen met iemand die ik niet ken? Ik probeer het voor mezelf te relativeren door mezelf voor te houden dat ik er niet om gevraagd heb, dat het voor hem ook een manier is om in contact te komen met andere culturen en andere mensen. Toch slaap ik mijn eerste nacht in dit bijzondere land onrustig.
Het bedrukte gevoel weet ik de volgende twee dagen iets meer van me af te schudden als ik met Saskia en twee andere mensen uit haar hostel, Vera uit Duitsland en Casper uit Denemarken, de stad ga verkennen. Yangon is druk, bruisend en tegelijkertijd heel gemoedelijk. Het drukke getoeter is geen uiting van agressie, maar simpelweg bedoeld om te laten horen dat je eraan komt.
We lopen talloze kilometers en zien de mooiste dingen, eten de heerlijkste hapjes en krijgen ook deze dagen weer regelmatig de aandacht van de locals. In het park willen jongeren een selfie met ons maken en nu ik ‘Hallo’, ‘Dag’  en ‘Bedankt’ kan zeggen in het Birmees verschijnt er nog vaker een lach van oor tot oor bij de mensen. We zien maar weinig toeristen en het is duidelijk dat ze hier ook niet op ingesteld zijn: bars ontbreken, restaurants sluiten om tien uur en souvenirs zijn onvindbaar. Ik ben blij dat ik de kans gepakt heb om dit nog relatief onbekende land te verkennen en terwijl de taxi ons naar het busstation buiten de stad brengt, laat ik de indrukken van deze eerste dagen op me inwerken en kijk ik met een glimlach naar de foto’s…
Tea-time!

 

In Yangon vind je overal prachtige koloniale gebouwen uit de tijd van de Britse heerschappij.

 

Het leven hier speelt zich vooral af op straat. Ik heb nauwelijks restaurants gezien waar je echt binnen kunt zitten.

 

Zo nu en dan kan ik het niet laten om foto’s van mensen te nemen. Deze man had zo’n prachtig expressief gezicht en lachte gevleid toen ik hem vroeg of ik hem op de foto mocht zetten.

 

Hi you, welkom op The Untold Story Project. Ik ben Kelly: gepassioneerd reiziger, verhalenverteller, dierenknuffelaar en wereldverbeteraar. Mijn missie? Inspireren, raken en verbinden met verhalen en foto's. Omdat iedereen een verhaal heeft.

6 Comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *